Brieven aan Theo

Nieuw-Amsterdam, 2 oktober 2019.

Waarde Theo,

Zoo even ben ik hier aangekomen. U weet, ik was hier eerder en wel op dezen dag 136 jaar geleeden in 1883, voor den eersten keer.
Wederom ben ik aangekomen met den schuit en aangemeerd bij mijn verblijf alwaar ik in 1883 logeerde. Dit kende ik nog weer, maar er is wel veel veranderd. Het balkon herkende ik nog. Het is hier nog steeds zoo gansch en al dat wat ik mooi vind. Dat wil zeggen het is hier vrede.
Er zijn hier velen mooie trekschuiten in het kanaal, meer dan in 1883. Velen mooi wit van kleur. Den turf is hier gansch verdwenen en den plaggenhutten zie ik ook niet meer. Wel veel grote huizen. De luchten zijn nu ook heel anders.

Mijn beste Theo, toen ik aan wal stapte was daar een mooie wallekant en trap. Boven aangekomen, werd ik zeer verrast door een paar grote zetels. Zoo kleurrijk, dat het u zeer aan den oogen zou doen. Den zetels waren ware schilderijen, waar van deezen streek van alles op te zien is. Den ophaalbrug is er op verbeeld, waar ik op uit zag en vanwaar ik de heide met keeten kon zien, is geheel vernieuwd. Den molen staat er ook,op al is het wel een andere dan toendertijd. Ook het verblijf met het balkon, waar ik verbleef in 1883 prijkt erop. Er staan vele prachtige bomen op en een zeer heldere hemellucht. Met een vrolijken zon, zoals ik hem in den tijd in Frankrijk ook zoo graag mocht schilderen. Het geheel straalt vrolijkheid uit. Ik zou zoo den penceel erbij pakken en deezen vrolijkheid vastleggen.

De makers van deezen zetels hebben het weergegeven op een bijzonderen wijze en wel met duizenden kleurige steentjes die opgeplakt zijn. Een gansch werk. Ik maakte een ronde rondom den zetels, die tegenover elkaar staan opgesteld, en verbaasde mij ten zeerste. Op den achterkant van den eene zetel stond mijn zelfportret afgebeeld. Die met den vilten hoed. Je zou ook hier moeten zijn, mijn waarden Theo, om dit alles te aanschouwen. Den oude trekschuit, alwaar ik in 1883 ben aangekomen, staat er ook op afgebeeld. Heel even waan ik mij weer in 1883. Zelfs den klaproos en den zonnebloem zijn erop aangebracht. Deze had ik ook geschilderd in den tijd in Frankrijk. Loop ik verder naar den andere zetel, zie ik den oogen van mijzelf. Ook een stukje neus is te zien. Het doet net lijken of die oogen van mij kijken naar het Logement, waar ik op den balkon zoo mooi en ver kon zien over den veenen. Ik ben maar eens op één van die zetels gaan zitten om dit alles eens goed in mij op te nemen.

Waarde Theo, het is hier zoo eigenaardig en zoo stil en vredig, ik kan er nog steeds geen ander woord voor vinden dan vrede. Zo zittende op dien sofa, zie ik in den verte nabij het Logement waar tot mijn verbazing mijn naam boven staat, ook een beeld staan. Het trekt mijn nieuwschierigheid en loop daar naar toe. Waarde Theo, wat een schrik. Wederom kijk ik in mijn spiegelbeeld. Het is een beeld van mijn persoon. Het gebouw wat er bij hoort draagt ook al mijn naam. U kunt zich voorstellen Theo dat ik even naar binnen ben geloopen om met den bewoners te praten. Dat schrijf ik u in een volgende brief.

Als ge een oogenblikje hebt, waarde Theo, schrijf dan noch eens. Gegroet dus, mijn adres blijft maar hier voorloopig.

t Beste u toegewenscht, met een handdruk

Vincent.